De blauwbilgorgel

Ik ben de blauwbilgorgel,
Mijn vader was een porgel,
Mijn moeder was een porulan,
Daar komen vreemde kind’ren van.
Raban ! Raban ! Raban !

Ik ben een blauwbilgorgel
Ik lust alleen maar korgel,
Behalve als de nachtuil krijst,
Dan eet ik riep en rimmelrijst.
Rabijst ! Rabijst ! Rabijst !

Ik ben een blauwbilgorgel,
Als ik niet wok of worgel,
Dan lig ik languit in de zon
En knoester met mijn knezidon.
Rabon ! Rabon ! Rabon !

Ik ben een blauwbilgorgel
Eens sterf ik aan de schorgel,
En schrompel als een kriks ineen
En word een blauwe kiezelsteen.
Ga heen ! Ga heen ! Ga heen !
*

De Bozbezbozzel

De bozbezbozzel lijkt wat op
Een jenk, maar heeft een klein're kop
Zijn poten staan reeds twee aan twee
Als eenmaal bij het stekelree.

Hij hinnikt als een maliepaard,
En als het sneeuwt heeft hij een staart.

Wanneer die staart zijn kop zou zijn,
Was hij precies een spieringzwijn.

En als hij zeven staarten had,
Een kolossale kolbakrat.

Nu lijkt hij nog het meeste op
Een jenk, maar met een klein’re kop
*

De krillemonus

Ken je de krillemonus niet ?
O, je kent hem vast als je hem ziet.

Hij heeft een bibliofiele kop
met fijne sprietjes gras erop,

een mond, een neus, en dertien oren
(zeven opzij en zes van voren).

en aan zijn brimmel hangt een bord
met ‘Hier liever geen vuil gestort’.

Zwerf maar rond lang ’s herens wegen,
dan kom je ‘m vast een keer tegen.
*

Ballade van de pantippel

De pantippel werd geboren
Op een mooie dag in mei,
Met een arendsneus van voren
En een ezelsoor opzij.

Toen hij nauwelijks dertien was
Zond zijn moeder hem naar zee,
En omdat hij niet goed gaar was
Ging zijn vader met hem mee.

Op ‘De wijlen Christoph Wieland’
Mosterden zij monter aan,
Doch het schip is reeds voor Vlieland
In een noorderstorm vergaan.

’t Laatste wat de meeuwen zagen
Was een zachtgeel ezelsoor,
Flappend in de regenvlagen –
Toen ging ook dat oor teloor.
*

Zeeklacht

Het water van de zee is altijd zout,
Hoe men de suikerpot ook mag hanteren,
Geagiteerd over het strand marcheren,
Terwijl de wind de brandingkoppen krauwt;
Een borstbeeld hakken uit scheepstimmerhout,
Des nachts, in droom, met meerminnen verkeren,
Tarbot fileren of Neptuin vereren:
Het water van de zee is altijd zout.

Daar helpt geen moederlief, geen vaderstout,
Geen bokken, dokken, knokken of gekscheren,
Geen brein van boterkoek, geen hart van goud:
Of men voor dames voelt of meer voor heren,
Het water van de zee blijft altijd zout.
*

Natuurkunde

‘o, denkt men er zo over !’
zei een jongetje
dat de wet van newton gelezen had

en hij steeg als een leeuwerik
in de dampende najaarshemel
en geen sterveling op aarde
heeft hem ooit meer teruggezien.
*

Simplicity

Men aarzelt te zeggen de stoel
staat in de kamer de tafel
staat naast de stoel op de tafel
ligt vaders pijp moeder zit
in de stoel naast de kachel
en de kinderen spelen
in de tuin met de hond

toch als men daarvan uitging
was het geen slecht begin.
*

Etmaal

Het licht is oud en moe,
En geeft haar scepter over aan de nacht.
Een kind slaapt voor het raam van zijn verlangen,
Zijn hoofd rust op de varens van zijn droom,
De deken van de duisternis omhult hem.

Maar alles draait. De nacht doet afstand van
Haar grijze troon bestikt met blauwe sterren.
De bakfiets van de zon rijdt door de stad.
Het kind wordt wakker waar het wonder uitblijft,
En alles is weer als het morgen zijn zal.
*
Over Cees Buddingh'


Remco Campert dichtte:

sinds buddingh'
verwachten veel mensen
van poëzie een avondje lachen...


Cees Buddingh' zegt: ‘De mensen lachen vaak om dingen waar helemaal niet om te lachen valt. Neem nou es die “kachel-cyclus” die ik geschreven heb: dertien manieren waarop je een doodgewone kachel kunt bekijken. Een van die manieren is:

hoeveel men ook van elkaar houdt, op den duur kan men niet zonder kachel.

Daar lachen de mensen dan om, terwijl het hier eigenlijk gaat om een van die essentiële bronnen van het menselijk tekort waar altijd zoveel over gezeurd wordt. Ze lachen uit misverstand, ze lachen om het misverstand. En ik wil niet aansprakelijk gesteld worden voor de misverstanden die ik zelf opwek, haha!’
Dichter, romancier, sportjournalist, televisiepresentator, vertaler, criticus, toneelschrijver, hoorspelbewerker, detectiveschrijver, citatenverzamelaar en aforistisch denker Cees Buddingh' (52) dankt zijn succes en gemoedsrust aan een van understatement doortrokken schrijf- en levensstijl. Een korte, vriendelijke pijproker, immer gehuld in een bijna tweedehands tweedjasje, bezitter van een hoogst ongebruikelijk stemgeluid: hoog en lijzig tegelijkertijd.
‘Het eigen Buddingh'-geluid,’ zegt hij zelf, ‘zoals dat, vooral na '56 ook in mijn poëzie doorklinkt, is gebaseerd op het principe van de gewone spreektaal waarin ernst en humor nuchter en laconiek op louter constaterende toon ten gehore wordt gebracht.’ Het maakte hem tot een van de populaìrste dichters in deze drassige dreven: van zijn laatste twee bundels werden in totaal al meer dan 12.000 exemplaren verkocht, een ongehoord resultaat ook voor de voordrachtskunstenaar Buddingh' die voor het eerst eigenlijk ‘ontdekt’ werd op de grote poëzieavond (1966) in het Amsterdamse Carré.
Daar droeg hij zelf, stomverbaasd over de razend enthousiaste bijvalsbetuigingen uit de zaal, enige van zijn ‘toevallig genoteerde’ ontboezemingen voor die snel hoog genoteerd kwamen te staan op de letterkundige hitlijsten van de middelbareschooljeugd. Zoals het vers over de dekseltjes van het Marmite- en Heinz-sandwichspreadpotje die, na een proefondervindelijk onderzoekje, onderling verwisselbaar bleken.
Buddingh': ‘Het was niks bijzonders, het was eigenlijk ook niet om te lachen. Daar heb je 't weer: dat misverstand. Het was gewoon een typische ervaring aan de ontbijttafel die ik verstrooid opschreef. Ik schroefde bij vergissing de dekseltjes op de verkeerde potjes; nou zijn er grote ontdekkingen in de wereldgeschiedenis (bijvoorbeeld de penicilline) óók bij vergissing gedaan - dit was een kleintje, maar op hetzelfde principe gebaseerd. Nou, en zo'n levenswijsheid wil je je lezers natuurlijk niet onthouden!’
Het gewone is hem niet gewoon genoeg (hij kan je genoeglijk vertellen hoe hij tijdens een radio-poëziewedstrijd-voor-de-jeugd de opdracht kreeg een versje over ‘blubber’ te vervaardigen en ‘ook nog de hoogste punten kreeg’), hij wil tot het uiterste toe relativeren.
Na in In Den Gulden Winkel gedebuteerd te hebben met ‘Military Service Blues’ (‘ik was niet uit dienst, er ging een goed vaandrig der wielrijders aan mij verloren’) werd hij ziek en vertoefde lange tijd in een sanatorium: ‘Je moet 't niet zo zwaar zien. Ach, er gingen wel mensen om mij heen dood, dat was verschrikkelijk, aan de andere kant was 't oorlog en buiten gebeurden veel ergere dingen dan waar ik verbleef. En je moet je zo'n sanatorium niet als bron van totale rust voorstellen. 't Kon er verdomd rumoerig zijn.’
Ondanks dat gedruis vervaardigde hij in die tijd revolutionaire poëzie waaronder het poëem over de befaamde Blauwbilgorgel:

Ik ben een blauwbilgorgel
mijn vader was een porgel
mijn moeder was een porulan
daar komen vreemde kinderen van
raban, raban, raban


Later kwam er een bundel als De laatste der Mohikanen (met invloeden van Eluard en Breton) waarin hij zich een duidelijke voorloper van de latere Vijftigers toonde, de dichtersbeweging waarover hij het eerste essay schreef: ‘Ik was gewoon ouder, hè, ik had de Franse surrealisten gewoon veel eerder gelezen. Ik was blij toen die Vijftigers plotseling losbarstten: 't was toch ook mijn ideaal.’
In het begin van de jaren vijftig hield hij zich in leven door te vertalen (Forsyte Saga bijvoorbeeld en een complete hervertaling van Burgersdijks Shakespeare-omzetting) en te schrijven, ‘weer wat later door te schrijven en te vertalen, en nu godzijdank praktisch alleen door te doen waar ik zin in heb - mijn ideaal is: twee boeken per jaar. Dat moet kunnen, hè.’
Buddingh' (wiens achternaam een samentrekking is van Budding Heer: ‘Tja, die komma symboliseert dan de weggevallen eer in de familie’) komt uit een oud Dordts geslacht. In het grijze verleden bracht de familie ook nog een schrijver Buddingh' voort die een standaardwerk in twee delen schreef over oude drinkgebruiken. Cees leende het uit de openbare bibliotheek en bevond het ‘nogal saai, hè’.
Al zijn arbeid geschiedde tot voor kort op zijn Dordrechtse werkkamer in gebouw Pictura, tegenwoordig werkt hij thuis, ook in Dordrecht: ‘Ik heb hier een geweldige plezierige jeugd gehad (soms dacht ik wel es: kan je met zo'n gelukkige jeugd wel schrijver wezen?), ik vind 't in Dordt nog steeds fijn.’
Naast vertaal- en schrijfwerk produceerde Buddingh' ook nog twee Prisma-citatenbijbels waarin onder anderen een zekere Jan de Boisson honderdvijftig puntige gedachten ten beste geeft - zoals: ‘Hoe leger het hoofd is, hoe minder men erin kan gieten.’ De Boisson/Buddingh': ‘Het aforisme wordt hier verwaarloosd. Nederland wil preken horen; hoe langer de preek hoe beter, hoe korter het aforisme des te beter. Mij gaat 't om een reëlere benaderingswijze - poëzie wordt hier vaak gelijkgesteld met het tragische. Als je in Nederland zegt: ik voel me beroerd, dan wordt je automatìsch hoger aangeslagen dan wanneer je je plezierig voelt. Ik heb 't persoonlijk uitstekend naar m'n zin.’
Na ‘een schokkerige poëtische carrière’ ontdekte hij langzamerhand een gerichte hang naar ‘de ogenschijnlijk gewone situaties in het ogenschijnlijk gewone leven’. Zo signaleert hij in een van zijn gedichten de ‘oude linksbuiten Glimmerveen’ die tijdens voetbalwedstrijden in het vooroorlogse ods geplaagd werd door een steeds uit de kniekom schietend onderbeen; dan liep de voetballer even uit het veld, sjorde de onderhavige ledematen weer in elkaar en huppelde lustig verder:

als ik me somber voel
of als het tegen zit
denk ik: vooruit kees, even de knie in de kom
en dan gaat het weer.


Hier mengt zich de sportliefhebber Buddingh' in het spel, de sportjournalist die elke week in de Haagse Post een column over voetbal (voor zijn ziekte was hij een verdienstelijke voetballer, volgend seizoen gaat hij weer cricketen), tennis, cricket, ijshockey of atletiek ten beste geeft. ‘Sport fascineert me omdat 't dramatisch is en volstrekt onbelangrijk tegelijkertijd - sporten waarin ook minder gelegenheid tot spanning geboden wordt zoals zwemmen (als iemand vier meter voor ligt is het drama al voorbij) of basketbal liggen me minder. Maar ik vind elke sport wel fijn om naar te kijken.’
Het dramatische plus het onbelangrijke combineren zich ook in zijn ‘readymades’ oftewel ‘gevonden tekstvoorwerpen’ zoals de bezitter van de mo-a-akte Engels het snel vertaalt (dit papiertje plus een jarenlange traditie van vakanties in Londen en op het Britse platteland stelt hem in staat vier uur per week Engelse vertaalles te geven aan het instituut voor de opleiding tot vertaler en tolk in Amsterdam).
Buddingh': ‘Zo'n readymade kan verrassend zijn, onthullend door de relatieve context. Ik gebruikte eens een briefje dat mijn zoontje Sacha van de kleuterschool meekreeg en waarin stond dat door de moord op Kennedy de ouderavond twee weken verzet werd. Ja... Zoiets gewoons tegenover zoiets ongewoons. Alsof twee weken later de wereld beter zou zijn. En dan nog die verhullende tekst: door de gebeurtenissen in Amerika. Ik heb dat briefje gewoon zo als gedicht gebruikt. Politiek... wat dat betreft ben ik principieel. Ik word erdoor bewogen. Al dat opportunistische. Ze zijn de tweede klas kleuterschool nog niet te boven. De eerste net...’
Via de tekstuele objects trouvés komt het gesprek op de dichter Armando die dit letterkundige procédé als een van de eersten in Nederland gebruikte. Buddingh': ‘Armando schreef ook de teksten voor Poets die ik voor de tv presenteerde. Nee, ìk hou er nìet van om op straat herkend te worden. Ik hou er niet van om mezelf te verkleden. Ik doe 't niet meer.’
Buddingh', definitief tv-presentator af, gaat door met zijn normale arbeid. ‘'s Morgens ga ik naar boven en doe wat er gedaan moet worden. Het gevoel is als God: overal merkbaar, nergens aantoonbaar. Dat is het ideaal.’